Hoe werkt een graanmolen?

de wieken laten de bovenas draaien. het bovenwiel drijft de spil aan, aan de onderzijde van de spil, de verticale as, zit het spoorwiel waarmee via de spilwielen het maalwerk wordt aangedreven. In het maalwerk liggen twee maalstenen op elkaar, de ligger, onder, de loper, boven, tussen deze maalstenen wordt het graan tot meel gemalen. Via de meelpijp komt het meel uit het maalwerk en wordt daar in zakken gedaan.
Het graan wordt in zakken met het luiwerk opgehesen naar graanzolder, het luiwerk kan ook door de molen worden aangedreven, maar zonder wind kan er ook mee gehesen worden, dat gaat dan met handkracht.
De molen wordt met het kruiwerk op de wind gezet.
Molenaars hebben een "eigen taal", de molenaarstaal, daarnaast is er ook de molentaal
  1. Roede
  2. Wiek
  3. Halslager
  4. Bovenwiel
  5. Bovenas
  6. Schijfloop
  7. Vang
  8. Kruiwerk
  9. Wipstok
  10. Luiwerk
  11. Spil
  12. Spoorwiel
  13. Steenspil
  14. Maalwerk
  15. Meelpijp
  16. Stellingdeur
  17. Staart
  18. Schoor
  19. Kruiwiel
  20. Invaartdeur
  21. Schoor
  22. Stelling
  23. Luitouw

foto's van de techniek in de molen

klik op de plaat voor een vergroting

de belangrijkste onderdelen van een stellingmolen / graanmolen.
Ook de molen van Buursink in Markelo is een stellingmolen en graanmolen.

het kruiwerk

Molenaars hebben een soort eigen taal, hieronder een paar van die woorden.
Zie ook de pagina over molentaal

Billen
Scherp maken van de maalstenen.

Binnenkruier
Molen met het kruiwerk in de kap.

Buitenkruier
Molen met het kruiwerk buiten de kap. De kap wordt aan de buitenzijde met een houten staart op de wind gedraaid. De molen van Buursink is een buitenkruier.

Gevlucht
De vier molenwieken vormen samen het gevlucht.

Kap
Bovenste deel van een molen. De kap kan draaien. De as van de wieken, van het gevlucht, zit in de kap.

Kruien
Wiekenkruis recht op de wind draaien. Als de windrichting verandert moet er worden gekruid.

Lier
Werktuig om spullen mee op te hijsen. (zie Luien)

Ligger
Onderste maalsteen. Deze steen ligt stil.

Loper
Bovenste maalsteen. Deze steen draait rond, aangedreven door de wind, via de wieken, de assen en tandraderen.

Luien, luiwerk
Ophijsen van bijvoorbeeld zakken graan, de hijsinrichting heet het luiwerk.

Maalstenen
Stenen waartussen bijvoorbeeld het graan wordt gemalen.

Molentaal
Door de wieken van de molen in een speciale stand te zetten, kan de molenaar een boodschap vertellen. Er is bijvoorbeeld een speciale stand om duidelijk te maken dat de molenaar even pauze heeft. Ook is er een stand om duidelijk te maken dat er een kind is geboren.

Onderkruier
Molen waarvan de hele romp door kruien op de wind kan worden gezet. De Molen van Buursink is een bovenkruier.

Schoren
Balken die samen met de staart onderdeel zijn van het kruiwerk van de buitenkruier. 

Staart 
Deze balk loopt vanaf de achterkant van de molenkap naar beneden tot bijna op de grond of de stelling. Aan de balk zitten de schoren vast.

Stelling
Houten omloop rond hoge windmolens. Vanaf de stelling kunnen de wieken en de vang bediend worden.

Vang
Rem van een windmolen. De vang grijpt, als een remband, om het bovenwiel. De vang wordt vanaf de stelling bediend.

Vangen
Stilzetten van de molen.

Vijzel
De vijzel is een soort schroef. Het water wordt door de schroef van laag naar hoog gebracht. De eerste vijzels waren van hout. Sinds 1900 zijn er ook stalen vijzels.

Watermolen
Molen die gaat draaien dankzij de kracht van het stromend water.

Wiekenkruis
Gevlucht van een windmolen. Het wiekenkruis bestaat uit een askop met vier wieken.

Windmolen
Molen die gaat draaien dankzij de kracht van de wind.

Zwichten
Het aanpassen van de zeilvoering op de wieken. De zeilvoering moet aangepast worden als de windkracht is veranderd. Bij sterkere wind: zeil minderen, bij zwakkere wind: meer zeil spannen.

het maalwerk