In oorlogstijd konden de wieken als een telegraaf gebruikt worden, met een afgesproken "wiekentaal" konden signalen over grote afstanden worden doorgegeven. In normale tijden is er een eenvoudige, algemeen bekende molentaal, met maar vier begrippen.

De wieken draaien tegen de klok in, en daarom heet de wiek die bijna beneden komt de komende wiek en die net door de onderste stand is de gaande wiek. Bij geboorte komt er nieuw leven en daarom is de rust met een wiek bijna beneden de vreugdestand, en de rust met een wiek net voorbij de verticale stand de rouwstand.

Lange rust

korte rust

rouw

vreugde

In de tijd voor dat er bliksemafleiders waren moest de molen in rust zo laag mogelijk gehouden worden, de wieken werden daarom in deze stand gezet.

Deze ruststand is wat gemakkelijker, je kunt dan namelijk goed bij de onderste wiek komen om hem aan de ketting te leggen. Nu er bliksemafleiders zijn is dit meestal ook de lange rust stand

De onderste wiek is net de onderste stand voorbij, is een gaande wiek, een teken van rouw, er is "iemand uit de tijd", iemand is gestorven.

zie ook de pagina over techniek

De komende wiek, bijna onderaan, een teken van vreugd, bijv. omdat er iemand is geboren, er is nieuw leven gekomen.

 

 

 

 

beginpagina